Ik
heb een vriend. Hij is leuk, lief, slim, beresterk en woest aantrekkelijk. En
ik weet nooit waar hij uithangt. Oh wacht, dat weet ik wel. Hij woont in mijn
hoofd. Hij is verzonnen, maar verdomd wat komt die jongen vaak van pas!
In
een foute tent kreeg ik een stroef gesprek te verduren met een knakker van het
kaliber NEE. Die vond mij heel leuk en mooi en ik weet niet of hij geheel
eerlijk was, maar ik besloot dat zelf dus ook maar eens niet te zijn. Hij wilde
een date. Het was niet eens echt een vraag, meer een statement, zo van, ‘Wij
gaan op date!’ Heel apart. Hoe maak ik dit niet al te slimme wezen duidelijk
dat ik geen interesse heb, zonder uitgemaakt te worden voor kutwijf. Ach, daar
is hij al. Dat lieve leuke vriendje van me. Tja, sorry Neanderthaler in
clownspak, ik heb al een vriendje. Ik wou dat ’t anders was, want je lijkt me zo’n
interessant persoon… Maar ja, wat doe je eraan hé?
De
boodschap kwam niet helemaal over, of dat aan zijn intellectuele vermogens lag
of aan de hoeveelheid drank weet ik niet. Hij trok zijn shirt omhoog en zijn
broek omlaag en vroeg me of ik anders even aan hem wilde voelen, dat zou me
vast van gedachten doen veranderen. Ik hoefde overigens niet te voelen (en heb
dat ook niet gedaan!) om te weten dat ook dit ietwat vreemde gebaar mijn liefde voor het
vriendje niet kon veranderen. Helaas pindakaas.
Hij
vroeg of ik bij dat vriendje bleef slapen. Ik zei van wel. Hij bood me nog aan
om in zijn auto te slapen als het niks zou worden tussen ons. Ik bedankte
hem vriendelijk voor dit o-zo-verleidelijke aanbod, wat ik toch echt zou moeten afslaan.
En
achteraf stel ik mezelf dan weer de vraag, was dit gesprek niet een stuk makkelijker geweest als ik iets had gezegd als ‘Trollenkoning, ga terug naar
je grot, ik moet je niet.’ Want de leugentjes hebben dit vreemde gesprek niet bepaald korter gemaakt als ik dit zo teruglees…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten